Opbouw van de 'scholingsmix'

Iedere kinderarts is zelf verantwoordelijk een op de eigen persoon en beroepsactiviteiten afgestemde optimale 'scholingsmix' samen te stellen. In het Specifiek beoordelingskader van de NVK zijn daarvoor de volgende richtlijnen opgenomen:
 

  • Algemeen werkende kinderartsen moeten in 5 jaar een breed spectrum aan nascholing volgen. Het Raamplan Kindergeneeskunde (1995) dient hierbij als richtlijn.

  • Kinderarts-subspecialisten volgen de helft van de nascholing in díe aandachtsgebieden die niet tot het eigen subspecialisme behoren, bij voorkeur weer met het raamplan als leidraad. De andere helft is scholing in het eigen subspecialisme volgens de richtlijnen van het CSO en de betreffende sectie.

  • Bij algemene nascholing in communicatie, management, ethiek, gezondheidsrecht of zorgstelsel is vooral van belang in hoeverre de scholing bijdraagt aan verbetering van de praktijkvoering van de kinderarts.

  • De kerntaak van de gemiddelde kinderarts speelt zich vooral af rond het medisch handelen. Daarom is het aantal punten te behalen in algemene nascholing beperkt tot 25% van het vereiste minimum aantal.

  • E-learning is een nieuwe vorm van nascholing. Omdat samenzijn, samenwerken en communicatie tijdens scholing een impliciete bijdrage leveren aan de ontwikkeling van een aantal van de competenties is het aantal punten te behalen met e-learning beperkt tot 25% van het vereiste minimum aantal.

  • Het vereiste minimum voor nascholing is 200 punten in 5 jaar. Het staat een ieder vrij meer punten te behalen en boven het vereiste aantal van de genoemde percentages af te wijken.


Meer info:


Specifiek beoordelingskader NVK

Mijn sectie