NVK richtlijn: Dehydratie

Algemene informatie:

De richtlijn Dehydratie is ontwikkeld op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Geneeskunde (NVK).
Voorzitter van de werkgroep: mw. drs. C.C. de Kruiff

Deze richtlijn is tot stand gekomen met financiële steun van de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

 

Op initiatief van:

NVK

Datum publicatie:

februari 2013

Status:

Geautoriseerd door het NVK bestuur op 10-10-2012.

Doelgroep samenvatting:

Deze richtlijn en samenvatting zijn  bedoeld voor: Arts assistenten kindergeneeskunde en kinderartsen.

En gaat over: Dehydratie bij kinderen, richtlijn voor de eerste opvang bij gastro-enteritis.

Verantwoordelijke samenvatting:

Deze samenvatting werd ontwikkeld door:
A.M. van Wermeskerken, kinderarts

Versieinfo samenvatting:

Deze NVK samenvatting van de richtlijn Dehydratie uit 2012 is gemaakt in 2012.

Heeft u suggesties ter verbetering van deze samenvatting? Neem dan contact op met richtlijnen@nvk.nl

Definities:

Dehydratie: tekort aan lichaamsvocht, zowel intra- als extracellulair

  • Normotoon (Na 130-150 mmol/l)
  • Hypertoon (Na > 150 mmol/l)
  • Hypotoon (Na < 130 mmol/l)

Differentiaal diagnose:

Verminderde intake en/of verhoogd verlies

  • Braken en of diarree
  • Verlies op basis van drainage, bv externe liquordrainage.
  • Hypovolemie door verlies in 3e ruimte; bv. bij capillary leak, peritonitis, ascites, postoperatief
  • Hoge insensible loss; bv. bij koorts, transpiratie, brandwonden
  • Renaal water- en/of zoutverlies (diabetes mellitus, diabetes insipidus, tubulusstoornissen, bijnierinsufficiëntie, cerebral salt wasting, etc).
  • Medicamenteus (diuretica, laxantia) of toxisch (alcohol)

Diagnostiek:

Anamnese

Inschatting ernst (zie ook tabel 1 klinische symptomatologie en percentage dehydratie).

Wanneer een actueel gewicht bekend is, kan het % gewichtsverlies = % dehydratie worden berekend. Dit wordt gezien als de gouden standaard (tenzij sprake is van verlies van vocht in de 3e ruimte).

 

Anamnesevragen:

  • Recent gewicht
  • Hoe lang verminderde intake en huidige intake,
  • Hoe lang en hoe veel vochtverlies; Hoe vaak en hoe veel: braken, diarree, polyurie
  • Dorst, huilen met tranen, wanneer laatste mictie, oligurie
  • Gal- of bloed- of slijmbijmenging
  • Compensatie: met welke vloeistof en hoeveel (vraag naar klaarmaken ORS)
  • Bewustzijnsveranderingen. Koorts? Focus? Symptomen van infectie? Tropenbezoek? Omgeving ziek? Recent antibioticagebruik? Buikpijn, vervoerspijn?
  • Polyurie, Diabetes Mellitus

 

Lichamelijk onderzoek:

 Tabel 1. Klinische symptomen geassocieerd met dehydratie

 

 

Symptomen

Minimaal /geen:

< 3% verlies van lichaamsgewicht

Mild / matig

3% - 9% verlies van lichaamsgewicht

Ernstig

> 9% verlies van lichaamsgewicht

Bewustzijn

Normaal, alert

Normaal, moe of rusteloos,

geïrriteerd

Apathisch, lethargisch, verminderd

bewustzijn
 

Dorst

Drinkt normaal, kan vocht weigeren
 

Dorstig, wil graag drinken

Drinkt slecht, kan niet drinken

Hartfrequentie

Normaal

Normaal of toegenomen

Tachycard, in ernstige gevallen bradycardie
 

Pols kwaliteit

Normaal

Normaal tot afgenomen

Zwak, niet/ nauwlijks te voelen

Ademhaling

Normaal

Normaal, versneld

Diep

Ogen

Normaal

Iets diepliggend

Ingezonken

Tranen

Aanwezig

Verminderd

Afwezig

Mond en tong

Vochtig

Droog

Uitgedroogd

Huidturgor

Normaal

Verminderd

Sterk verminderd

Capillaire refill

Normaal

Verlengd (2-4 sec)

Verlengd (> 4 sec), slecht zichtbaar
 

Extremiteiten

Warm

Koel

Koel, gemarmerd, cyanotisch

Diurese

Normaal tot afgenomen

Afgenomen

Minimaal

Cave polyurie bij renale/hormonale problemen (diabetes mellitus, -insipidus, natriurese)
 

 Bronnen: http://www.cdc.gov/mmwr/PDF/RR/RR5216.pdf

 

Lichamelijk onderzoek (zie ook tabel 1)

  • Bewustzijn, vitale parameters (HF, RR, temp, capillary refill, AF)
  • Gewicht
  • Huidturgor, slijmvliezen, tranen, fontanel, positie ogen
  • Hyperpneu (suspect voor metabole acidose)
  • Algeheel lichamelijk en oriënterend neurologisch onderzoek

 

Aanvullend onderzoek 

Controleer lab:

  • Bij ernstige dehydratie; ≥9% verlies van lichaamsgewicht
  • Wanneer anamnese, diurese (polyurie) en/of L.O. niet past bij dehydratie tgv gastro-enteritis
  • Wanneer Iv rehydratie nodig is om een andere reden


Chemie:

  • Na, K, chloor, glucose, CRP, creatinine, ureum, bloedgas, evt. osmol
  • Anion gap in bloed = Na – (Cl + bic); normaal 4-11 ( NB: normaalwaarde kan per lab wisselen)


Op indicatie:

  • Urine Na, K, Cl, osmol, urinesediment
  • Volledig bloedbeeld, ketonemie, kweken van bloed, urine, faeces (viraal, bacterieel, parasitair), beeldvorming, etc.

Eerste handelingen:

Ernstige dehydratie kan gepaard gaan met een vasculaire ondervulling (hypovolemie) en daardoor met een (dreigend) falen van de weefselperfusie. Daarnaast kan sprake zijn van een (dreigend) neurologisch falen als gevolg van hypoperfusie en/of electrolytstoornissen. Start daarom altijd eerst met een ABCD benadering (APLS)

  • ABC D niet normaal?

    Start zo snel mogelijk resuscitatie met herstel van weefselperfusie 20ml/kg NaCL0.9% in 10 minuten en volg APLS. Herbeoordelen vullingstoestand, en zo nodigherhalen tot totaal 40 - 60ml/kg vulling. Indien circulatie niet herstelt of anderszinsABC niet stabiel: IC inschakelen. Cave dehydratie ten gevolge van diabetes mellitus; dan per bolus 10 ml/kg geven tot maximaal 30 ml/kg.
  • ABC D normaal?

    Bepaal ernst van dehydratie. Herstel ook zo nodig weefselperfusie en start zo snelmogelijk met bij voorkeur orale rehydratie.

Therapie:

Vervolg praktische handelingen
Afhankelijk van de oorzaak dient behandeld te worden; bv bij diabetes mellitus dient een andere rehydratierichtlijn gevolgd te worden (zie nieuwe NVK protocol 2012), rehydratie op basis van renaal water- en of zoutverlies kan een ander vocht en electrolytenbeleid vereisen.

Berekenen percentage dehydratie en vochtonderhoud.

Dehydratie:         

(Recent gewicht – huidig gewicht) / recent gewicht) x 100% = % dehydratie.

 Indien geen recent gewicht, schat % dehydratie (mild /matig < 9% of ernstig ≥9%?) aan de hand van anamnese en lichamelijk onderzoek (zie tabel 1).


Deficit:                    

[Recent gewicht – huidig gewicht] = aantal gram = aantal ml deficit.

Indien geen recent gewicht: [Geschat % dehydratie / 100%] x huidig gewicht in gram.


Onderhoud:

Bereken minimale hoeveelheid onderhoudsvocht op basis van normale gewicht (zie tabel 3). Koorts? Overweeg maximaal 12% extra onderhoudsvocht per graad temperatuursverhoging; vaak volstaat een normaal vochtonderhoud bij dehydratie bij koorts ivm verminderde diurese.

 

Therapiekeuze: oraal of intraveneus?

Orale rehydratie heeft in het algemeen de voorkeur, evt. per maagsonde.

Indicatie iv-rehydratie: falen van/of contra-indicatie orale therapie:

  • tijdens shockbehandeling
  • sufheid
  • acute buik of ileus of aanhoudend braken
  • Bij ernstige diarree > 10 ml/kg/uur is succeskans van orale rehydratie lager.

 

Opname indicaties (zie ook hieronder risicofactoren voor falen thuisbehandeling)

  • Kind < 2mnd: overwegen bij < 5% dehydratie, altijd opnemen bij ≥ 5% dehydratie.
  • Kind > 2mnd: overwegen bij > 5% dehydratie, altijd opnemen bij ≥ 9% dehydratie.
  • Falen ORS-behandeling (inadequate intake/braken/toename diarree en/of dehydratie)
  • Elke ABC-bedreigd kind
  • Bij een geprikkeld kind of verminderd bewustzijn
  • Bij nierinsufficientie
  • Ouders incapabel om rehydratie uit te voeren of sociale factoren die follow-up bemoeilijken.

 

Risicofactoren voor falen thuisbehandeling

  • (jonge) leeftijd (< 6 maanden)
  • Persisterende diarree (> 8x/dag), spugen (> 4x/dag)
  • Pedagogisch zwak milieu

 

Orale rehydratie: 

Vochtdeficit teruggeven als ORS met lage osmolariteit (< 270 mOsm/l, Na ≤ 75mmol/l):

15-25 ml/kg/uur tot adequate rehydratie (normale mictie / klinisch goede vochttoestand / gewichtsherstel) is bereikt (evt. per sonde) óf obv categorie (geschat % dehydratie), zie tabel 2. Bij (risico op) hyperkaliaemie kan een vergelijkbare kalium-vrije oplossing gebruikt worden, zoals NaCl 0.45%/glucose 2.5%, wat oraal/per sonde toegediend kan worden

Evalueren hydratietoestand ≤ 4 uur door middel van klinische beoordeling (met wegen).
 

Tabel 2. Overzicht van behandeling op basis van ernst dehydratie

Tabel 2

Mate van dehydratie

Rehydratie

Vervanging van verliezen

(Indien sprake is van polyurie een deel vervangen als   verlies)

Voeding *

Minimale of geen dehydratie 0-3%

Niet nodig

ORS aanbieden: bij elke waterdunne ontlasting 10 ml/kg (tot 250 ml) en bij elke periode van braken 2 ml/kg

Borstvoeding kan gecontinueerd worden, geef na rehydratie het normale bij de leeftijd passende dieet en onderhoudsvocht

Milde tot matige         dehydratie 3-9%

ORS 15 - 25 ml/kg tot rehydratie is bereikt of 50 ml/kg  in 4 uur

ORS aanbieden:

bij elke waterdunne ontlasting 10ml/kg (tot 250 ml) en bij elke periode van braken 2 ml/kg Idem

Borstvoeding kan gecontinueerd worden, geef na rehydratie het normale bij de leeftijd passende dieet en onderhoudsvocht

Ernstige dehydratie

 >9%

Bij shock 20 ml/kg NaCl 0,9% iv vulling, zo nodig herhalen. Daarna , of indien geen shock, onderhoud NaCl 0,9% iv op dubbele inloopsnelheid van normale vochtonderhoud tot electrolyten bekend zijn, start indien mogelijk ORS 100 ml/ kg in 4 uur.

Idem; indien het kind niet kan drinken kan een neussonde ingebracht worden of intraveneus NaCl 0,45%- gluc 2.5% gegeven worden

Geef na rehydratie het normale bij de leeftijd passende dieet en onderhoudsvocht

*Er is geen restrictief dieet nodig. Ook is geen verdunning of geleidelijke introductie van voeding nodig. Vermijd suikerhoudende (vruchten)dranken. De meeste kinderen met gastro-enteritis verdragen lactose bevattende melk. 

 

 

Intraveneuze rehydratie: 

Algemeen geldt, ongeacht type dehydratie:

  • Bij ernstige dehydratie (>9% van lichaamsgewicht) en shock eerst 20 ml/kg NaCl 0,9% vulling geven. Dit zo nodig herhalen tot herstel van weefselperfusie (zo nodig totaal 40 – 60 ml/kg).
  • Indien geen shock: Er kan gestart worden met NaCl 0,9% op dubbele inloopsnelheid van normale vochtonderhoud (Tabel 3) in afwachting van het type dehydratie; zie daar voor vervolgbeleid
  • Overweeg altijd om weer over te gaan op orale rehydratie.
  • Start kaliumsuppletie pas na mictie en bekend worden van labuitslagen, niet meer dan 60 mmol/l K in perifeer infuus.
  • Overweeg om de 3 peilers (onderhoud, deficit, vervanging van voortgaande verliezen) als 3 aparte infusen te laten lopen, zodat aanpassingen in 1 peiler eenvoudig door te voeren zijn.

 

Normotone dehydratie en noodzaak tot iv rehydreren:

Onderhoud (vocht, natrium en kalium):

Geef als onderhoudsvocht bv NaCl 0,45% - Gluc 2.5% (= 77 mmol Na/liter); hiermee wordt ook voorzien in het natriumonderhoud van 2-4 mmol/kg/dag. Zo nodig bij hele jonge/lichte kinderen lagere concentratie natrium kiezen of minder onderhoud. Kaliumonderhoud 1-2 mmol/kg/24 uur (starten na diurese en als labuitslagen bekend zijn).


Deficit (vocht, natrium en kalium):

Geef berekende vochtdeficit terug als NaCl 0,9% (= 154 mmol Na/liter) in 24 uur; hiermee wordt het Na deficit wat ongeveer 8-10 mmol/kg bedraagt in 24 uur gesuppleerd. Geef de 1e helft in eerste 6 uur, de 2e helft in volgende 18 uur.


K deficit:  2(-4) mmol/kg /24 uur (starten na diurese en bekend worden labuitslagen). 

Cave hypokaliemie: Indien sprake is van een acidose kan deze door te rehydreren gecorrigeerd worden, maar kan hypokaliemie ontstaan door een kaliumshift van extra- naar intracellulair. Soms kan het natrium en kaliumdeficit bij ernstige diarree groter zijn.


Vervangen van voortgaande verliezen:

Indien mogelijk ORS aanbieden: bij elke waterdunne ontlasting 10 ml/kg (tot 250 ml) en bij elke periode van braken 2 ml/kg. Als oraal nog niet kan/lukt kan intraveneus NaCl 0,45%-gluc 2,5% overwogen worden.


Laboratoriumcontroles:

Na, K- en zo nodig bloedgascontrole: à 8 u, zo nodig vaker.


Na rehydratie:

Over op normaal onderhoudsvocht en –electrolyten.

 

Tabel 3. Waterbehoefte voor onderhoudstherapie (max. onderhoudsvocht 2400 ml/dag)


Hypertone dehydratie en noodzaak tot iv rehydreren:

Cave bij te snelle daling van serumosmolariteit treedt shift van water van extra- naar intracellulair op met de kans op cerebraal oedeem. Doel is om de serumosmolaliteit langzaam (< 1 mmol/l/u) te laten zakken; let ook op een verhoogd ureum en glucose; serumosmolaliteit = 2x natrium + ureum + glucose. Daling van het serumnatrium mag niet meer dan 0,5 mmol/l/u = < 10mmol/l/dag zakken

 

Onderhoud (vocht, natrium en kalium)

Onderhoudsvocht: bv NaCl 0,45% - Gluc 2.5% (= 77 mmol Na/liter). Het is verstandig om wat minder onderhoudsvocht te geven dan gebruikelijk ivm het risico op te snel dalen van het natrium bij hypotone vloeistof. Bij te snel dalen van het natrium kan ook gekozen worden voor onderhoudsvloeistof met meer natrium dan NaCl 0,45%; bijv. door van 1 liter NaCl 0,9% 50 ml te vervangen door 50 ml glucose 50%. (= 146 mmol Na/liter met Gluc 5%) Natriumonderhoud: 2-4 mmol/kg/dag; vaak volstaat onderhoudinfuusvloeistof al. Kaliumonderhoud: 1-2 mmol/kg/24 uur (starten na diurese en als labuitslagen bekend zijn).


Deficit (vocht, natrium en kalium):

Vochtdeficit: teruggeven als NaCl 0,9% over een periode van ≥ 2 dagen. Na-deficit: 6-8 mmol/kg/24 uur, maar start met 10-12 mmol/kg/uur voor een meer geleidelijke daling (< 0,5 mmol/uur!) en controleer frequent de electrolyten voor aanpassingen.


NB: Met het teruggeven van het vochtdeficit als NaCl 0,9% wordt (een deel van het) Na-deficit al gesuppleerd.
 

K deficit: 2 (-4) mmol/kg/ 24 uur (starten na diurese en bekend worden labuitslagen). Soms kan het natrium en kaliumdeficit bij ernstige diarree groter zijn .
 

Cave ontstaan van hypokaliemie: Indien sprake Is van een acidose kan deze door te rehydreren gecorrigeerd worden. Bij het verdwijnen van de acidose  kan een hypokaliemie ontstaan door een kaliumshift van extra- naar intracellulair


Vervangen van voortgaande verliezen:
Indien mogelijk ORS aanbieden: bij elke waterdunne ontlasting 10 ml/kg (tot 250 ml) en bij elke periode van braken 2 ml/kg. Als oraal nog niet kan/lukt kan ipv ORS intraveneus NaCl 0,45%-gluc 2,5% overwogen worden.


Laboratoriumcontroles:

Na, K, (bloedgas) à 4 uur tot normale serumwaarden; infuussamenstelling aanpassen aan serum Na; soms is isotone onderhoudsvloeistof nodig voor geleidelijke daling. Bij te snelle daling van het serumnatrium is het verminderen van de vochtintake effectiever dan het verhogen van de natriumintake. Gebruik een zijlijn bij snel veranderende behoeften, met bv  NaCl 3% (=513 mmol/l))


Na rehydratie:

Indien na deficitcorrectie normonatremisch: Start normaal dieet en bied compensatie voor diarree en braken aan. Bij niet verdragen dieet: onderhoud d.m.v. ORS. Indien na rehydratie nog hypernatremisch: Start onderhoudsvocht d.m.v. ORS en bied compensatie diarree en braken aan.

 

Hypotone dehydratie en noodzaak tot iv rehydreren:

Cave complicaties op basis van te snelle natrium stijging, waardoor shift van water van intra- naar extracellulair met als complicaties hersenbloeding, trombose, centrale pontiene demyelinisatie. Doel is langzame correctie serum Na (< 0,5 mmol/l/uur). Totale correctie max 10 mmol/l/dg.

 

Onderhoud (vocht, natrium en kalium):

Onderhoudsvocht: bv NaCl 0,45% - Gluc 2,5% (= 77 mmol Na/liter) Natriumonderhoud: 2-4 mmol/kg/dag (vaak volstaat onderhoudinfuusvloeistof al). Zo nodig bij hele jonge/lichte kinderen iets lagere concentratie natrium kiezen of wat minder onderhoud geven.


Kaliumonderhoud: 1-2 mmol/kg/24 uur (starten na diurese en als labuitslagen bekend zijn).


Deficit (vocht, natrium en kalium):

Geef berekende deficit terug als NaCl 0,9% (= 154 mol Na/liter) Geef bij matige dehydratie het deficit terug in 24 uur; Geef de 1e helft in eerste 6 uur, de 2e helft in volgende 18 uur.


Na-deficit: [TBW (n) x 140 mEq/l] – [TBW (c) x actueel Na]  = aantal mmol.


TBW(n) = normale hoeveel totaal lichaamswater = 0,6 x normaal gewicht)

TBW(c) = geschatte hoeveel totaal lichaamswater = TBW(n) – aantal liter dehydratie


NB: Met het teruggeven van het vochtdeficit als NaCl 0,9% wordt (een deel van het) Na-deficit al gesuppleerd.

Doel is langzame Na correctie (< 0,5 mmol/l/ uur en max. 10 mmol/l/ dag) K deficit:  2(-4) mmol/kg /24 uur (starten na diurese en als lab bekend is). Soms kan het natrium en kaliumdeficit bij ernstige diarree groter zijn .

Cave ontstaan van hypokaliemie: Indien sprake Is van een acidose kan deze door te rehydreren gecorrigeerd worden. Bij het verdwijnen van de acidose  kan een hypokaliemie ontstaan door een kaliumshift van extra- naar intracellulair


Vervangen van voortgaande verliezen:

Indien mogelijk ORS aanbieden: bij elke waterdunne ontlasting 10 ml/kg (tot 250 ml) en bij elke periode van braken 2 ml/kg. Als oraal nog niet kan/lukt kan intraveneus NaCl 0,45%-gluc 2,5% overwogen worden.


Laboratoriumcontroles:

Na, K, (bloedgas) à 4 uur tot normale serumwaarden zo nodig vaker.


Na rehydratie:

Bij normonatriemie over op onderhoudsvocht met electrolieten, of ORS, of herstart voeding.

 

Acute hyponatriëmie

Definitie: diepe hyponatriëmie ≤125 mmol/L, ontstaan binnen de afgelopen 48 uur of symptomatisch. Dit vereist snelle correctie.
 

Acute hyponatriëmie met convulsies: 

Advies: Geef onmiddellijk hypertoon natrium om de convulsie te stoppen.


Dosis:   NaCl 3%, bolus van 4 mL/kg in 15 minuten tijd. Meestal zal hiermee de serumnatriumspiegel stijgen met ongeveer 3 mmol/L en volstaat dit om de convulsie te staken. Bij voorkeur toediening in een groot vat onder controle van vitale parameters.

 

Acute symptomatische hyponatriëmie zonder convulsies

Advies: streef naar een stijging van het serumnatrium van initieel 1-2 mmol/L/uur tot de symptomen verdwijnen. Laat het Na echter niet sneller stijgen dan 8-12 mmol/L/dag.


Dosis:   NaCl 3%, onderhoud van 1-2 mL/kg/uur; bij ernstige symptomen kan een hogere dosis worden overwogen tot 4 mL/kg/uur. Bepaal in het begin à 1 uur de natriumconcentratie