Postnatale zorg in de algemene kindergeneeskunde
De richtlijn Postnatale zorg in de algemene kindergeneeskunde is ontwikkeld op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) en bestaat uit 2 Modules:
Module 1: Screening, preventie en behandeling van neonatale hypoglycemie
Module 2: Beleid na Vacuümextractie (VE)
Voorzitter van de werkgroep:
- Drs. L.H. van der Meer-Kappelle, kinderarts-neonatoloog
Deze richtlijn is tot stand gekomen met financiële steun van Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS) gelden.
Op initiatief van
NVK
Datum publicatie
Februari 2021
Status
Geautoriseerd door het NVK bestuur op 11-03-2020
Module 1: Zie stroomdiagram
Module 2: Beleid na Vacuümextractie (VE).
De werkgroep adviseert om alle pasgeborenen na een VE tenminste zes uur te observeren op kliniek (geprikkeld zijn, pijn bij verzorging, huilen, spugen, kreunen, voedingsproblemen, kleur, activiteit/gedrag, ademhaling en hartfrequentie) (zie uitgangsvraag 2.1) en niet standaard paracetamol toe te dienen (zie uitgangsvraag 2.2). Bij bijzonderheden tijdens deze observatieperiode moet de observatieperiode verlengd worden naar 12 uur. Bij tekenen van shock moet direct een arts gewaarschuwd worden en met behandeling gestart worden.
Noteer bij het eerste lichamelijk onderzoek de locatie en het aspect van de zwelling op het hoofd in het dossier (blz 136-138 en 146). Zorg dat de observatie gericht is om een subgaleale bloeding (SGH) zo snel mogelijk te onderkennen (blz 138).
Module 3. Consult kinderarts perinataal of bij pasgeborene
Deze module is geschreven voor verder gezonde pasgeborenen bij een zwangerschapsduur ≥ 35 0/7 weken en geboortegewicht ≥ 2000 gram. Bij kinderen geboren na een kortere zwangerschapsduur of met een lager geboortegewicht is een consult kinderarts altijd geïndiceerd vanwege pre- of dysmaturiteit. De module beschrijft wanneer een consult kinderarts is aanbevolen bij a) indicaties die tijdens de zwangerschap al bekend zijn, b) indicaties die tijdens de partus ontstaan/duidelijk worden of c) indicaties naar aanleiding van lichamelijk onderzoek of klinische conditie van het kind.
Module 1:
Prematuur: < 37 weken zwangerschapsduur
Dysmatuur (SGA): Geboortegewicht < P10
Macrosoom (LGA): Geboortegewicht > P90
IDM: Kinderen van moeders met diabetes medicamenteus behandeld
De streefwaarde: grens waarbij men gewaarschuwd wilt worden (stop-denk-na-grens).
De interventiegrens: grens waaronder je de glucose niet wilt laten komen omdat de kans op neurologische schade bij een glucoseconcentratie onder deze interventiegrens dusdanig groot geacht wordt dat persisteren van een glucoseconcentratie onder deze grens moet worden vermeden.
Glucose |
één tot twee uur na geboorte |
twee tot 24 uur na geboorte |
24 tot 48 uur |
Streefwaarde |
≥2,0 mmol/L |
≥2,6 mmol/L |
≥2,6 mmol/L |
Interventiegrens |
≤1,5 mmol/L |
<2,0 mmol/L of <2,6 mmol/L bij:
|
<2,6 mmol/L |
Module 2:
Module 1:
|
Glucose < 2.2 mmol/L (matige hypoglycemie) |
Glucose < 1.5 mmol/L (ernstige hypoglycemie) |
SGA <P10 |
233 / 508 (45.9%) |
115 / 508 (22.6%) |
Extreem SGA <P2,3 |
69 / 131 (52.7%) |
22 / 131 (16.8%) |
Tabel 1. Incidentie neonatale hypoglycemie bij SGA gedefinieerd als <P10 en <P2.3 (Blank et al., 2018).
|
Incidentie hypoglycemie (< 2.6 mmol/L) > 1 uur pp |
P5 – P10 |
71 / 320 (22.2%) |
P2.3 – P5 |
48 / 203 (23.6%) |
< P2.3 |
47 / 173 (27.2%) |
Tabel 2. Incidentie neonatale hypoglycemie bij SGA gedefinieerd als P5 – P10, P2.3 – P5 en <P2.3 (van Veenendaal, nog niet gepubliceerd).
|
Glucose < 2.2 mmol/L (matige hypoglycemie) |
Glucose < 1.5 mmol/L (ernstige hypoglycemie) |
LGA >P90 |
198 / 433 (45.7%) |
61 / 433 (14.1%) |
Extreem LGA >P97.7 |
52 / 114 (45.6%) |
17 / 114 (14.9%) |
Tabel 3. Incidentie neonatale hypoglycemie bij LGA gedefinieerd als >P90 en >P97.7 (Blank et al.2018).
(Zie Bijlage C Implementatieplan)
Indicatie voor glucosescreening (zie uitgangsvraag 1.2 en Bijlage C Implementatieplan)
- Prematuriteit : <37 welen zwangerschapsduur (blz 37; 43-46)
- SGA : De WHO-definitie van SGA is een geboortegewicht <P10. De literatuur biedt onvoldoende onderbouwing om een andere grens te adviseren (Bovenstaande tabel 1 en 2; richtlijn blz 37; 43-46)
- LGA. De werkgroep heeft een voorkeur om bij LGA-pasgeborenen de P90 als grens voor het geboortegewicht aan te houden. (Bovenstaande tabel 3; richtlijn blz 38-41; 43-46)
- Kinderen van moeders met diabetes (type 1, 2 of diabetes gravidarum) die in de zwangerschap behandeld zijn met insuline of orale bloedsuikerverlagende medicatie. (blz 41-43; 44-46)
Preventie van neonatale hypoglycemie (zie uitgangsvraag 1.5):
Huid-op-huid-contact en frequent voeden op geleide van honger- en voedingssignalen.
Bijvoeding middels kunstvoeding naast borstvoeding wordt niet routinematig aangeraden om toe te passen als preventieve maatregel bij borstgevoede pasgeborenen met verhoogd risico op neonatale hypoglycemie.
Module 2
Zie bijlage 2.3: gevonden incidentie in de literatuur
Module 1:
De afnametechniek en glucosebepaling dienen lege artis (referenties Coyle, 2015; Semmekrot, 2015) toegepast te worden, met aandacht voor de valkuilen in het pre-analytisch (glycolyse-remming), analytisch en post-analytisch traject (digitale rapportage), en met borging van kwaliteitscontrole (training medewerkers, kalibratie, ijking en onderhoud). (zie uitgangsvraag 1.4)
Glucose controle schema (zie uitgangsvraag 1.3)
- Eerste glucose controle 1-2 uur na geboorte na een eerste voeding
- Hierna glucosescreening voor de voeding met intervallen van 2-6 uur
Duur glucose controle (uitgangsvraag 1.3)
Voor de indicaties LGA en kinderen van moeders met behandeling voor diabetes glucose controles gedurende ten minste 12 uur. Na 12 uur (en minimaal drie glucosecontroles) kan de screening gestopt worden als de laatste twee waarden boven de streefwaarde zijn. Hierbij dienen de trend van de glucoseconcentratie evenals het voedingsgedrag, de voedingstolerantie van de pasgeborene en eventuele toegepaste interventies meegewogen te worden.
Voor de indicatie SGA en late prematuren glucose controles gedurende ten minste 24 uur. Na 24 uur kan de screening gestopt worden als de laatste twee waarden boven de streefwaarde zijn. Hierbij dienen de trend van de glucoseconcentratie evenals het voedingsgedrag, de voedingstolerantie van de pasgeborene en eventuele toegepaste interventies meegewogen te worden.
Module 2:
Een observatielijst met notitie van vitale parameters en gegevens over de zwelling op het hoofd (zie bijlage 2.1) kan behulpzaam zijn om achteruitgang of veranderingen op te merken. De observatie van het kind na een VE is gericht op tekenen van een SGH (geprikkeld zijn, pijn bij verzorging, huilen, spugen, kreunen, voedingsproblemen, kleur, activiteit/gedrag, ademhaling en hartfrequentie). Hierbij moet het hoofd regelmatig worden geïnspecteerd op locatie, aspect en een eventuele toename van de zwelling en gelet worden op de vroege tekenen van hypovolaemie of shock.
Module 1: neonatale hypoglycemie
Therapie neonatale hypoglycemie
(Zie uitgangsvraag 1.6 en stroomschema)
Bij verdenking op hypoglycemie wordt geadviseerd direct behandeling te starten en niet te wachten op een eventuele geverifieerde uitslag.
Stap 1: Voedingsinterventie
Bij matige asymptomatische hypoglycemie (glucoseconcentratie niet meer dan 0,5 mmol/L onder de interventiegrens) is een voedingsinterventie de eerste stap in de behandeling van neonatale hypoglycemie, mits de enterale voeding goed verdragen wordt:
- Frequenter aanleggen bij borstvoeding en bijvoeden met (antenataal) afgekolfde moedermelk (eventueel per sonde).
- Indien beschikbaar kan buccale dextrose-gel (200 mg/kg dextrose 40% gel (=0,5 ml/kg)) worden overwogen.
- Bijvoeden met voldoende kunstvoeding (koolhydraatintake met 1 tot 2 mg/kg/min ophogen => 2,5-5 ml/kg uitgaande van 8 voedingen), eventueel per sonde als het kind onvoldoende zelf drinkt maar de voeding wel tolereert.
- Controleer de glucoseconcentratie één uur na de interventie in stap 1.
- Bij recidiverende hypoglycemie of onvoldoende stijging na een interventie: ga naar stap 2.
Stap 2: Continu glucose iv
Iv glucosetoediening is de tweede stap in de behandeling van asymptomatische neonatale hypoglycemie en kan worden overwogen:
• als de enterale koolhydraatintake niet verder opgehoogd kan worden;
• bij recidiverende hypoglycemie of onvoldoende stijging na een voedingsinterventie;
• bij een ernstige hypoglycemie (glucoseconcentratie 0,5 tot 1,0 mmol/L onder de interventiegrens).
Initiële dosering bij iv glucosetoediening bij asymptomatische hypoglycemie:
• 4 mg/kg/min bij à terme pasgeborenen (ca. 60 ml/kg/dag glucose 10%) iv;
• 6 mg/kg/min bij prematuren (ca. 90 ml/kg/dag glucose 10%) iv.
-
Controleer de glucoseconcentratie 30 tot 60 minuten na de interventie in stap 2.
-
Bij persisterende of recidiverende hypoglycemie wordt de iv koolhydraatintake verder verhoogd met ten minste 1 tot 2 mg/kg/min (ca. 15 tot 30 ml/kg/dag glucose 10%). Bij een koolhydraatbehoefte hoger dan 10 mg/kg/min worden grotere vervolgstappen aanbevolen (ten minste 2 mg/kg/min). Overweeg nadere diagnostiek naar onderliggende endocriene of metabole stoornissen.
-
Bij recidiverende hypoglycemie of onvoldoende stijging na een interventie: ga naar stap 3.
Stap 3: Glucosebolus gevolgd door hoge dosis continu glucose iv
• Bij symptomatische hypoglycemie: symptomen passend bij neonatale hypoglycemie en een glucoseconcentratie <2,6 mmol/L.
• Bij zeer ernstige hypoglycemie (glucoseconcentratie meer dan 1,0 mmol/L onder de interventiegrens).
- Controleer de glucoseconcentratie na 30 minuten en beoordeel of er voldoende stijging is.
- Bij persisterende of recidiverende hypoglycemie na een symptomatische of zeer ernstige hypoglycemie wordt de iv koolhydraatintake met grote stappen verder verhoogd. Hierbij moet een sterkere glucoseconcentratie dan 10% worden gekozen in verband met een maximale hoeveelheid vocht van 120 ml/kg/dag op de eerste dag na geboorte. Een glucoseconcentratie van ≥20% mag uitsluitend via een centraal veneuze lijn worden toegediend.
Deze samenvatting is bedoeld voor: Kinderartsen.
Ook andere zorgverleners binnen de integrale geboortezorg kunnen gebruik maken van de informatie uit deze richtlijn, zoals huisartsen, verloskundigen, verpleegkundigen, kraamverzorgenden en ouderverenigingen.
De richtlijn bestaat uit 3 modules
- Module 1: Screening, preventie en behandeling van neonatale hypoglycemie en
- Module 2: Beleid na Vacuümextractie (VE)
- Module 3: Consult kinderarts perinataal of bij pasgeborene
Prematuren geboren na een zwangerschapsduur <35 weken en pasgeborenen met een indicatie voor intensive care vallen buiten deze richtlijn.
Deze samenvatting werd ontwikkeld door:
- Drs. L.H. van der Meer-Kappelle, kinderarts-neonatoloog
Geplande revisiedatum: 2025
In bijlage A van deze richtlijn treft u de Patiënteninformatie aan.